De verschijningen
Eerste verschijning - 11 februari 1858
Bernadette (14), haar zusje Toinette (12) en een vriendinnetje Jeanne Abadie (13) sprokkelen hout langs de oever van de Gave. Als Bernadette haar kousen uittrekt om door het water van het molenkanaal de andere meisjes te volgen, schrikt zij bij het horen van een geluid als van een windstoot. Als zij een tweede, soortgelijk geluid hoort, kijkt ze onwillekeurig naar de grot en ziet in de bovenste nis 'iets wits', een meisje met een 'mooi gelaat'. Spontaan grijpt Bernadette naar haar Rozenkrans en knielt neer. Ze wil het kruisteken maken, maar dat gelukt haar pas als het meisje, dat ook een Rozenkrans draagt met een groot blinkend kruis, het haar heeft voorgedaan.

Terwijl Bernadette het Rozenhoedje bidt, ziet ze dat ook het meisje de kralen door haar vingers laat glijden, maar zonder de lippen te bewegen. Het 'visioen' duurt ongeveer een kwartier. De andere meisjes hebben niets gezien. Bernadette vertelt het hun, zo komt het nieuws bij moeder Soubirous terecht.

Tweede verschijning - 14 februari
Het is carnavalszondag. Een groep van drie vriendinnetjes en haar zusje Toinette nemen na de Hoogmis Bernadette mee over de oude brug naar de Massabielle. Na een eerste weigering heeft vader Soubirous toelating gegeven. Bernadette heeft een flesje wijwater meegenomen. Je kunt nooit weten. Er kan een boze macht in het spel zijn... Bernadette laat de groep knielen en samen bidden zij de Rozenkrans. Wéér ziet Bernadette het meisje. Ze sprenkelt het wijwater in de richting van de nis. Maar het meisje blijft en glimlacht. Na korte tijd raakt Bernadette deze keer volkomen 'in extase'. Haar ogen staan wijd open en ze wordt bleek als was. De andere meisjes worden bang van haar. Ze proberen haar mee weg te krijgen, maar zij is onbeweeglijk. Dan hollen er een paar meisjes naar de dichtbij gelegen molen van Savy. De molenaar Antoine Nicolau en zijn moeder brengen Bernadette in huis. Daar komt zij pas tot zichzelf en vertelt dat ze 'aquero', 'het' weer gezien heeft. 'Een mooi meisje met een Rozenkrans aan de arm'.

Derde verschijning - 18 februari
Het is heel vroeg in de morgen als Bernadette weer bij de grot knielt. Twee dames uit de stad zijn meegegaan. Zij geven haar papier en schrijfgereedschap. Bernadette gaat de grot in en vraagt: 'Wilt U zo goed zijn Uw naam op schrift te stellen?' Dit hebben de dames haar ingeprent. 'Dat hoeft niet', hoort Bernadette als antwoord. En dan de wedervraag: 'wilt U zo goed zijn om gedurende veertien dagen naar hier te komen?. Ja. Ik beloof niet U hier in deze wereld gelukkig te maken, maar wel in de andere'. Voor het eerst heeft Bernadette de 'welluidende en zachte' stem gehoord. De verschijning heeft iets minder dan een half uur geduurd.

Vierde verschijning - 19 februari
Zes of zeven vrouwen, waaronder de tante van Bernadette, zijn meegegaan. Na amper drie weesgegroeten herhaalt zich de extase. Weer ongeveer een kwartier Een klein detail: voor de eerste keer neemt Bernadette een gewijde kaars mee naar de grot. Zij zal ze verder elke keer meenemen tot op drie maart, de dag van de veertiende verschijning.

Vijfde verschijning - 20 februari
De begeleidende groep is aangegroeid tot ongeveer dertig mensen. Deze keer duurt het langer voor de extase begint. Maar daarna vertonen zich dezelfde verschijnselen. En als ze voorbij zijn, is Bernadette meteen het normale en eenvoudige kind van altijd. En ze wil bijna niet praten over de verschijning. Alleen zegt ze weer beslist dat ze 'aquero', 'de witte dame', die glimlachte en haar groette, weer heeft gezien.

Zesde verschijning - 21 februari
Deze zondagmorgen zijn zo'n honderd mensen getuige van de vervoering van Bernadette. In de namiddag wordt zij onderworpen aan een langdurig verhoor door de politie commissaris Jacomet. Zij is uiterst kalm en elke poging om haar zichzelf te laten tegenspreken mislukt. Vader Soubirous laat haar beloven niet meer naar de grot te gaan.

Zevende verschijning - 23 februari
Als Bernadette in de namiddag van de 22ste naar school wil gaan, is het alsof een onzichtbare macht haar tegenhoudt en haar de weg doet inslaan naar de Massabielle. Maar de verschijning komt niet. In de biechtstoel zegt kapelaan Pomian tegen Bernadette, dat men niet het recht heeft haar de gang naar de grot te beletten. Vader Soubirous trekt zijn verbod in. De volgende dag zijn er zeker weer honderd getuigen, onder wie dokter Dozous en verschillende vooraanstaande mannen uit het stadje .De extase, waarin Bernadette de indruk maakt met iemand een gesprek te voeren, duurt een uur. Waarschijnlijk heeft deze keer Bernadette het gebed geleerd ' voor haar alleen', dat zij heel haar leven zal blijven bidden.

Achtste verschijning - 24 februari
Twee √° driehonderd man is bij de grot samengestroomd. Nadat Bernadette haar eerste tientje gebeden heeft, raakt zij weer in extase. Ze loopt ook in de grot op en neer. Op een bepaald ogenblik kijkt ze bedroefd. Ze heeft het meisje horen zeggen: 'boetvaardigheid' en 'bid God voor de bekering van de zondaars'. Ook hoorde zij haar vragen dat ze de grond zou kussen, wat ze ook inderdaad heeft gedaan.

Negende verschijning - 25 februari
Weer is de omgeving van de grot propvol mensen. Zo uiterlijk te constateren is Bernadettes houding gedurende deze verschijning vreemd. Ze gaat drinken aan de Gave, kruipt in de holte van de grot, begint met haar handen in de grond te woelen, wast zich met modderig water dat daar blijkbaar opborrelt, slurpt er ook van en eet van een plant, die daar groeit. 'Ga drinken en U wassen aan de bron. Eet van het kruid dat U daar vindt', heeft ze het meisje in de nis horen zeggen. Dezelfde dag ondergaat Bernadette een verhoor bij de procureur des keizers, zonder enig succes voor de procureur.

Tiende verschijning - 27 februari
Na een dag zonder verschijning herhaalt zich ten aanschouwen van honderden het tafereel van het drinken aan de inmiddels sterker borrelende bron en het eten van het kruid.

Elfde verschijning - 28 februari
Een nog grotere menigte dan de vorige dag (1150 mensen) is Bernadette naar de grot gevolgd. Ook de commandant van de gendarmerie uit Tarbes is er met zijn secretaris. Deze was onder de indruk en zegt dat de verschijning vrij lang geduurd heeft. 's Middags volgt weer een verhoor bij de procureur, de commissaris en de rechter van instructie. Ook de directeur van de middelbare school komt haar privé ondervragen. Hij denkt dat ze aan catalepsie lijdt, maar na het gesprek is hij overtuigd dat ze echt iets ziet.

Twaalfde verschijning - 1 maart
Er zijn 1500 personen aanwezig, door de politie geteld. Bernadette ziet het meisje weer dat haar attent maakt op het feit dat zij niet haar eigen Rozenkrans in de hand houdt, maar die van een ziek vriendinnetje. Opnieuw drinkt en wast ze zich aan de bron.

Dertiende verschijning - 2 maart
Er zijn 1650 toeschouwers. Bernadette hoort het verzoek: 'ga aan de priesters zeggen hier een kapel te bouwen, ik wil dat men hier in processie naartoe komt'. Pastoor Peyramale ontvangt haar zo brutaal dat ze alleen over de processie praat en de kapel vergeet. Vol schrik gaat ze 's avonds terug en doet de aanvulling van haar boodschap aan de pastoor en drie kapelaans. De pastoor zegt dat ze eerst maar eens de naam moet vragen aan de Dame.

Veertiende verschijning - 3 maart
Er zijn in alle vroegte tussen de 3000 en 4000 mensen bij de grot, maar er gebeurt niets. 's Middags gaat Bernadette terug en nu ziet ze in tegenwoordigheid van honderd mensen, het meisje. Bernadette bezoekt de pastoor, die opnieuw aandringt dat ze de naam van het meisje zal vragen.

Vijftiende verschijning - 4 maart
Het is marktdag in Lourdes. De laatste dag van de veertien waarover het ging bij de derde verschijning. Er is veel volk van buiten. Twintigduizend mensen trekken naar de grot. De politiemacht in het Pyrenee√ęn stadje, met versterking van de buurtdorpen, heeft er de handen aan vol. Drie kwartier blijft Bernadette in vervoering bij de grot. Weer volgt een bezoek aan de pastoor. De Dame heeft alleen geglimlacht toen Bernadette haar naam vroeg. Maar ze wil nog steeds de kapel. Weer dringt Peyramale aan om haar naam te vragen.

Nu volgt een onderbreking in de verschijningen die twintig dagen duurt, tijdens welke Bernadette niet naar de grot gaat. Zij voelt deze onweerstaanbare kracht niet die haar uitnodigt. Voor haar is het een welkome pauze waarin zij haar rust terugvindt; zij gaat naar school en bereidt zich voor op de Eerste Communie.

Zestiende verschijning - 25 maart
Maria boodschap. Drie weken is Bernadette niet meer naar de grot geweest. Maar in de nacht van 24 op 25 maart voelt zij weer die onverklaarbare drang naar de nis in de Massabielle. Het is vijf uur in de morgen, als zij met enkele familieleden op weg gaat. Er zijn al een paar tientallen mensen, onder andere de commissaris. Onmiddellijk ziet Bernadette 'het meisje'. Zij raakt bijna een uur lang in vervoering. Vier keer vraagt zij het meisje haar naam. Nu komt ook het antwoord: 'Que soy era immaculada Councepciou', 'ik ben de Onbevlekte Ontvangenis'.

Bernadette begrijpt het niet, ook niet na een bezoek bij de pastoor. Pas 's middags, in een gesprek met meneer Estrade, een geletterd man, begint ze te beseffen dat het tóch de Heilige Maagd moest zijn. Nu volgt opnieuw een onderbreking in de verschijningen die ongeveer veertig dagen duurt.

Zeventiende verschijning - 7 april
Omdat Bernadette daags tevoren te biechten is geweest, verwacht men dat ze naar de grot zal gaan. Het blijkt waar te zijn. Zoals gewoonlijk draagt zij een brandende kaars in de linkerhand, met haar rechter beschermt zij de vlam tegen de wind. In de extase die volgt, beroert de vlam haar vingers, tien minuten lang. Dr. Dozous, die er bij staat, kan geen enkele brandwond constateren en hij gelooft ook dat Bernadette echt iets ziet. Dan volgt de langste onderbreking in het verloop van de verschijningen.

Achttiende en laatste verschijning - 16 juli
Op het feest van Onze Lieve Vrouwe van de berg Karmel voelt Bernadette zich gedwongen nog eens naar de grot te gaan. Ze gaat 's avonds om acht uur. De autoriteiten hebben intussen (naar een decreet van 10 juni) de grot afgesloten en er schuttingen rondom laten aanbrengen. Bernadette knielt op de andere oever van de Gave, in de weide van Ribère. Gedurende korte tijd raakt ze in vervoering, net als enkele maanden geleden. Als haar daarna gevraagd wordt of de Heilige Maagd iets gezegd heeft, antwoord zij 'niets', maar tevens zegt ze dat ze haar nog nooit zo mooi heeft gezien.

En nadien neemt zij de gewone lijn van haar leven weer op, haar groei in het geloof, die voor haar geheel bestaat in de trouw van elke dag.